Het leek zo’n leuk idee
Onze eerste autovakantie als gezin. Met z’n drieën naar Frankrijk, lekker naar een kindvriendelijke camping, Julia voor het eerst in zo’n opblaasbaar peuterbadje. Alles had ik al geregeld. De camping was geboekt, de route uitgestippeld, de koffers ingepakt. Er was alleen één klein detail… We hadden geen auto.
En dat was niet mijn schuld
Ik had Robert er al máánden aan herinnerd. Schat, wanneer gaan we een auto kopen? Robert, denk je nog aan de auto? Zonder auto geen vakantie, hè!. Maar Robert was zo’n man van “komt goed, ik regel het”. Nou, hij had het níét geregeld. En daar zaten we. De ochtend van vertrek. Zonder auto.
Wekenlang gedoe
Toen we besloten om dit jaar met de auto op vakantie te gaan, had ik er direct werk van gemaakt. Ik ben namelijk een planner. Een lijstjesmens. “Ik zorg voor de camping, jij voor de auto,” had ik tegen Robert gezegd. “Deal,” had hij kort geantwoord. Ik had hem nog tientallen keren herinnerd aan die afspraak. Elke keer kreeg ik dezelfde reacties:
“Ja, ik hou Marktplaats in de gaten.”
“Ik heb een mooie op het oog, maar ik wil nog even wachten.”
“Ik moet nog een proefrit maken.”
En toen ineens waren we drie weken voor vertrek en nog steeds geen auto. Mijn stressniveau steeg. “Robert, dit gaat fout.” Maar Robert bleef relaxt. “Rustig, joh. We vinden echt nog wel iets.” Nou, spoiler: dat vonden we niet.
De dagen tikten weg
Twee weken voor vertrek. Eén week voor vertrek. Drie dagen voor vertrek. Nog steeds geen auto. En toen werd het ineens de ochtend van vertrek.
De rampdag
Om 7.00 uur ging mijn wekker. Dit had de dag moeten zijn dat we met een volle auto vertrokken, klaar voor een relaxte rit naar Frankrijk. In plaats daarvan hadden we niks. Geen auto, geen idee waar we er één gingen vinden, en ondertussen een peuter die in haar pyjama door het huis stuiterde. Julia had er ook naar uit gekeken. “Auto, mama! Auto!” riep ze vrolijk. Ik keek naar Robert, die direct zijn telefoon checkte. TE LAAT! “Ik ga nu even wat autozaken bellen,” mompelde hij. Pfffffffffff.
“Bellen?! ROBERT, WE MOETEN VANDAAG WEG!”
“Ja, ik weet het,” bromde hij. “Er staan nog een paar leuke op Marktplaats.” Ik stond op ontploffen. “Marktplaats? Serieus? We gaan geen tweedehands auto kopen en er zonder check mee naar het buitenland rijden!” Dat moest dus óók nog gebeuren. Hij keek me aan met een blik van wat-wil-je-dan en trok zijn schoenen aan. “Kom, we gaan kijken.” Ik had geen keus. We moesten een auto. Nu.

Om 8.00 uur zaten we in de tram – ja, de tram, want we hadden geen auto – op weg naar een dealer in een of ander industrieterrein
Julia zat in de kinderwagen, nog steeds vrolijk omdat ze dacht dat de vakantie begonnen was. In de trein. Ik zat te stressen. Mijn telefoon trilde.
Camping Frankrijk: “Beste gast, we zien jullie graag tussen 18.00 en 21.00 uur voor het inchecken.”
Oh mijn god. We moesten dus voor 18.00 uur vertrekken, anders kwamen we niet op tijd. Ik schopte Robert tegen zijn scheenbeen. “We moeten vanmiddag wegrijden.” Ook Robert begon nu te stressen. “Ik weet het,” mompelde hij. “Dus we nemen gewoon de eerste fatsoenlijke auto die we zien.” Dit kon toch niet werken?!
Om 9.00 uur kwamen we aan bij de eerste dealer
Robert wees naar een zilveren stationwagen. “Deze is perfect.” De verkoper kwam eraan. Een typisch gladde vent met een overdreven grote glimlach. Alles voor de verkoop. “Prima auto, net ingeruild.” Robert en hij liepen eromheen. Ik startte de motor. Een ratelend geluid. “Wat is dat?” vroeg ik scherp. De verkoper lachte natuurlijk alsof er geen vuiltje aan de lucht was. “Ach, dat is de ventilator. Klein dingetje.” “Dus hij wordt nog gerepareerd?” vroeg ik. Hij haalde zijn schouders op. “Tja, je kan er zo weg mee rijden.” NIET DUS. We stapten direct weer uit.
De tweede auto
10.30 uur. Tweede dealer. Ik was inmiddels zó gespannen. Ik trok dit niet. Julia begon honger te krijgen. Robert bleef optimistisch. Hij moest wel. “We vinden iets,” bleef hij herhalen. Dealer twee had een blauwe SUV. “Betrouwbare auto,” zei de verkoper. Ik keek hem wantrouwend aan. “Wat is de kilometerstand?” De man kuchte. “Ehm, 280.000.” Uitgesloten. We liepen weer weg.
De derde auto
12.00 uur. Tijd drong. Ik had er bijna de brui aan gegeven. “Robert, dit lukt niet meer vandaag.” Hij keek me met vastberaden ogen aan. “Jawel. Kom.” We kwamen bij een kleine dealer. Er stond een Volkswagen Golf. Geen mega grote auto, maar wél betrouwbaar. De dealer gaf ons de sleutels. “Maak een proefrit.” We sprongen erin. Motor startte goed. Reed soepel. Geen gekke geluiden. Dit was hem.
Ik keek Robert aan
“We doen het.” Robert knikte en stapte uit. “We kopen hem.” Om 13.00 uur hadden we de sleutels. Om 14.00 uur zaten we – EINDELIJK – met een ingepakte auto op de snelweg. Julia lag te slapen in haar autostoel. Ik had een knallende hoofdpijn. Maar we waren onderweg. We waren 3 uur later vertrokken dan gepland.
Op de snelweg kreeg Robert de grootste preek van zijn leven
“Dit doen we NOOIT meer zo.” Hij knikte schuldbewust. “Ik weet het.” Maar we waren op weg. Naar Frankrijk. Met onze spiksplinternieuwe (oké, tweedehands) auto. Uiteindelijk hadden we een fantastische vakantie. Maar ik wist één ding zeker: Volgend regelde ik alles zelf.
SENNA